Het eerste gepubliceerde gedicht verscheen in De Tijd-Maasbode (toen een dagblad) op 9 maart 1963.
Het laatste gedicht verscheen in Floris, tijdschrift van kasteel Doornenburg No 2 januari 2012.
De reis naar Slovenië, Kroatië en Bosnië in het najaar van 2010 leverde het gedicht In Mostar bij de brug:
In Mostar bij de brug
Het kruis dat laag hangt aan de andere zijde Hoger dan de stapels kitsch,
staat hier eenzaam op de heuveltop. en hoger dan de oorlogsgaten
In drommen meanderen wij klimt op de hagelnieuwe leuning
langs kramen, kruidkoek en koffiekopjes: de springer, ons overtollig geld komt hem toe:
verblind door spiegels, sieraden en schalen Voor vijf euro per kijker stort hij
kunnen wij in elke muntsoort betalende diepte in en komt, zo doet hij ons geloven,
op deze door de goden verlaten plek. - met dank aan God of Allah - toch weer boven.
Eerst horen wij de oproep tot gebed, Niemand heeft verteld wie de bom, welke lont of
dan zien we de slanke stenen vinger, waar de lucifer werd ontstoken.
die de hemel raakt, een minaret. Drie partijen houden hun handen schoon,
Glimmend en glad zijn de ronde keien, wij vragen niet naar schuld.
niet struikelen op Mostars hoogtepunt. Zolang wij harde valuta achterlaten,
Gloednieuw, met vredesgeld herbouwd, blijft bij de brug over de Neretva
verbindt de oude brug twee oevers de zachte naastenliefde
niet christenmensen, niet moslimbroeders. in Mostars nevelen gehuld.
Noud Bles

